![]()
Vertrouwd boeken, veilig betalen
Contact en Vragen
Bel 0180 - 457882
ma-vrij 09:00-21:00
zaterdag 09:30-17:00
GaSamen.nl Nieuwsbrief
Wilt u op de hoogte blijven van acties en aanbiedingen van GaSamen.nl? Vul dan hier uw mailadres in:
U kunt zich hier afmelden.
Wilt u deze site vaker bezoeken?
Sla hem op bij uw favorieten, klik hier.
Meer Algemeen
Ga terug naar
GaSamen
Politiek
Politiek
Noorwegen is pas vorige eeuw een zelfstandige staat geworden. Van 1550 tot 1814 werd het land geregeerd door Denemarken. Daarna maakte het tot 1905 deel uit van het Zweedse Koninkrijk.
In 1814 werd de eerste Noorse grondwet geproclameerd, waarna een periode van 'de facto' onafhankelijkheid volgde, die maar negen maanden heeft geduurd. In 1815 werd als gevolg van een besluit van het Wener Congres, Noorwegen namelijk opgenomen in een personele unie met Zweden. In 1837 is in Noorwegen het bestuur gedecentraliseerd, toen voor het eerst gemeentelijk zelfbestuur werd ingevoerd. Het land is toen ingedeeld in 19 fylker (vergelijkbaar met provincies) en zo'n 450 gemeenten.
Pas in 1905 werd de unie met Zweden ontbonden en sindsdien is Noorwegen onafhankelijk, met als staatsvorm de constitutionele monarchie. Het was echter een Deense prins die in 1905 de troon besteeg onder de naam Haakon VII. Bij zijn dood in 1957 werd hij opgevolgd door zijn zoon, Olav V. Op 17 januari 1991 overleed Koning Olav V; diezelfde dag volgde Harald V zijn vader als staatshoofd op. Een grondwetswijziging heeft voor toekomstige kinderen van het Koninklijk Huis het verschil tussen mannen en vrouwen weggenomen. Bij afwezigheid of ziekte van de Koning treedt de Kroonprins op als regent.
Volgens de grondwet is de 'Evangelisch Lutherse Kerk' de gevestigde kerk van het land. De Koning is het hoofd van deze staatskerk, waartoe hij en minstens de helft van de leden van de regering dienen te behoren.
Noorwegen is een constitutionele monarchie.De uitvoerende, wetgevende en rechterlijke macht zijn gescheiden. De uitvoerende macht berust, namens de Koning, bij de ministerraad, die verantwoording verschuldigd is aan het parlement, het 'Storting'. In september 2001 zijn er verkiezingen geweest. De Labour Partij (Arbeiderspartiet) heeft 24 procent van de stemmen gekregen, een daling ten opzichte van de laatste verkiezingen in 1997 toen ze 35 procent kregen.
De Conservatieven zijn van 14,3 procent van de stemmen in 1997 gestegen naar 21 procent. Geen enkele partij heeft voldoende stemmen behaald om een meerderheid in het parlement te verkrijgen. Uiteindelijk is er een coalitie gevormd door de Conservatieven, Christen Democraten en de Liberalen met als premier de Christen Democraat Kjell Magne Bondevik.
De wetgevende macht berust bij het Storting, het Noorse parlement, dat 165 afgevaardigden telt. Voor zijn wetgevende taak wordt het Storting ingedeeld in twee afdelingen: het 'Lagting' en het 'Odelsting'. Het Lagting bestaat uit een vierde van het aantal afgevaardigden en wordt door het voltallige Storting uit zijn midden gekozen. De overige Stortingsleden vormen het Odelsting. Wetsontwerpen worden in eerste instantie in het Odelsting behandeld. Daarna worden ze met eventueel voorgestelde wijzigingen en commentaar aan het Lagting voorgelegd.
Een wetsontwerp krijgt kracht van wet wanneer het door het Odelsting en Lagting is aanvaard, of door het voltallige Storting met tweederde meerderheid indien het Lagting tot tweemaal toe het wetsontwerp afwees. De volksvertegenwoordiging is onderverdeeld in een aantal commissies, waarvan die voor Buitenlandse Zaken en Financiën als zwaarste gelden. In de commissies wordt doorgaans het eigenlijke werk gedaan en worden de nodige compromissen bereikt. De werkzaamheden van het Storting zijn verdeeld over een voorjaars- en een najaarszitting.
De Noorse politiek is gebaseerd op een voortdurend intensief overleg tussen ambtenaren van de ministeries en vele honderden organisaties uit alle maatschappelijke geledingen, die veelal groot en invloedrijk zijn. Dit overleg is vooral technisch van aard. Men streeft naar consensus en compromis over de grondlijnen van de politiek, die vervolgens door het parlement worden goedgekeurd en door de regering moeten worden uitgevoerd.
Over een aantal doelstellingen is men het zowel links als rechts van de politieke scheidslijn eens: het nastreven van volledige werkgelegenheid en handhaving van de bestaande, gespreide vestigingsstructuur in het land. De omstandigheid dat de meeste belangengroeperingen zich verwant voelen met, of geïntegreerd zijn, in bepaalde politieke partijen, versterkt tevens het belang van de partijen.
De Noorse partijen kunnen ruwweg worden ingedeeld in 'socialistische' en 'niet-socialistische' partijen; de laatste groep wordt ook vaak aangeduid met de term 'burgerlijk'. Hoewel de Arbeiderpartiet de meeste regeringen heeft gevormd na de Tweede Wereldoorlog, zijn socialisten en burgerlijken het laatste decennium praktisch in gelijke mate in het Storting vertegenwoordigd.
De Noorse rechterlijke macht is politiek onafhankelijk. De Hoge Raad (Hoyestererett) bestaat uit een president en 17 rechters. De Raad is het hoogste ressort van vijf regionale gerechtshoven, die zowel strafrechtelijke als civiele beroepsprocedures behandelen. Plaatselijke strafrechtelijke rechtbanken behandelen strafzaken, terwijl civiele rechtbanken met lokaal gekozen rechtscolleges de civiele zaken behandelen. Alle overige benoemingen geschieden door de koning op advies van de ministers.
Bron: EVD